« terug

Het Financieele Dagblad, vrijdag 21 november 2008, blz. 11.


Erik de Gier


Het hoger onderwijs en onderzoek leveren in ons land momenteel onvoldoende bijdrage aan de verdere vormgeving van de kenniseconomie. Sterker nog, indien niet op korte termijn belangrijke vergaande hervormingen worden doorgevoerd, bestaat er een goede kans dat het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek in ons land als bijwagen gaat fungeren voor de kenniseconomie.
Hoewel Nederland het in verhouding tot andere Europese landen qua performance op het terrein van innovatie en output van wetenschappelijk onderzoek relatief gezien niet slecht doet, blijven noodzakelijke belangrijke hervormingen in het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek veelal steken in eerste aanzetten.
Het meest naar voren springende knelpunt is het blijvend hardnekkige optreden van de zogenoemde innovatieparadox. Daardoor vindt onvoldoende kruisbestuiving plaats tussen de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en mogelijk innovatieve toepassingen in de praktijk. Meer open vormen van kennisproductie en innovatie die deze paradox zouden kunnen opheffen, zijn schaars of blijven achterwege.
Kijken we naar de onderwijskant, dan valt op dat de voor een kenniseconomie cruciale omslag van meer traditionele klassikale onderwijsvormen naar nieuwe vormen van leren maar moeizaam gestalte krijgt. Weliswaar beschikken universiteiten en hogescholen intussen over een uitgebreide moderne ICT-infrastructuur, maar gebruik en toepassing daarvan ten behoeve van nieuwe vormen van leren en lesprogramma's blijft vooralsnog beperkt.
Opvallend is ook dat het grote belang van 'leven lang leren' vooral met de mond wordt beleden, maar nog nauwelijks heeft geleid tot een ruimere toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor oudere generaties werknemers.
Per saldo rijst er een beeld op van goedwillende intenties, maar betrekkelijk weinig hervormingsdaadkracht. De vraag is of dit wordt veroorzaakt door een gebrek aan verbeeldingskracht, of dat gevestigde belangen in het hoger onderwijs en onderzoek dusdanig sterk zijn dat de noodzakelijke hervormingen achter blijven. Feit is dat er snel gehandeld zal moeten worden, wil de feitelijke voorsprong van ons land op andere Europese landen niet verloren gaan.
 Eén belangrijk aandachtspunt in dit verband is de bestaande incentive-structuur voor wetenschappelijk personeel aan universiteiten. Deze is gericht op het publiceren in erkende wetenschappelijke tijdschriften en stimuleert eerder een blijvende geslotenheid van het stelsel ten opzichte van de maatschappij en economie, dan een dringend noodzakelijke open opstelling en interactie. In dit verband zouden we veel kunnen leren van sommige meer praktijkgerichte disciplines, bijvoorbeeld de medische. In nauwe samenwerking met toegepaste onderzoekers, kennisgebruikers, belangengroepen en overheden zoeken deze niet zelden met succes naar oplossingen voor vraagstukken in de praktijk.
Erik de Gier is deeltijdhoogleraar comparatief arbeidsmarktbeleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen en zelfstandig consultant.

 


« terug naar overzicht